Aanmoedigingprijs

ZONDER PILLEN

Nee, ik heb hem niet onder bedwang

m’n geest doet anders dan m’n wil

klokgelui, kanonschoten en vogelzang

klanken in m’n hoofd in plaats van stil

De rust die je verlangt, vraagt even

een moment geduld, een blank geluid

tabula rasa, een bladzij onbeschreven

waarop de taal zich woordloos sluit

ik luister niet, maar de akkoorden

maken muziek uit afgelegen streken

waar ik als kind nooit thuis behoorde

geen medicijn voor mijn gebreken

gevangen en bevrijd door woorden

mag ik zwijgen, zeggen, spreken…

Nuel Gieles

Overkant

de overkant is mist

vergaat in vergankelijkheid

bijna niet meer te bereiken

het land van sprookjes

het land van het kind

het drijft langzaam weg

nog éénmaal kom ik

naar de overkant

en keer dan terug

met wat ik behouden wil

Ruud Offermans

Juryrapport 2010

GGz-Dichter 2010 André Calis

De poëzie van André Calis is als een aangelegd bos. Tijdens de ommegang lopen de rijen bomen mee. Geen rij blijft hetzelfde, ze buitelen over elkaar, grijpen terug en maken plaats voor een nieuwe inkijk. Desondanks wortelen de bomen zichtbaar. Het geschetste landschap wordt méér dan een toestand van zijn.
André Calis vervangt de werkelijkheid door licht abstracte beelden, waarin elk woord, elke strofe op willekeurig welk moment een nieuwe dimensie kunnen innemen. Zijn gedichten roepen voortdurend vragen op, appelleren en laten ons als lezer achter met onszelf. Wie zijn wij in relatie tot de wereld? Zó wil André Calis zijn poëzie het liefst zien: de lezer voegt eigenheid toe en bepaalt daarmee de richting, wordt medeschrijver van het gedicht. Boven alles beschrijft André Calis de pijn van het zijn en de weemoed van het zien, waardoor zijn gedichten immer herkenbaar en toegankelijk blijven.

GGz-Dichter 2010 Marjon Zomer

Marjon Zomer vertelt een in poëzie verpakt verhaal. Met schijnbare terloopsheid schetst zij een enkel beeld, verdiept dit en verkleurt dan, met een enkel woord, de toon en klank. Alledaagse symbolen van rust en veiligheid worden door een kleine woordwending verontrustende tekenen die van dreiging spreken.
De poëzie van Marjon Zomer spreekt van onvermogen: een toegestoken hand is altijd leeg, hoe ver deze ook wil reiken. Toch zijn haar gedichten niet hopeloos. IJzingwekkend, lang natrillend, diep droevig: ja. Maar altijd kijken ogen uit naar contact, is er de wil tot mededogen. Het geeft de poëzie van Marjon Zomer een glans die compenseert voor de zwaarte van de thematiek. De verzen van Marjon Zomer denderen als een trein ritmisch aan ons voorbij, en laten onze haren in verwarring achter. Maar niet zonder een Zomerse lichttinteling.

GGz-Dichter 2010 Roland Hoven

Temidden van de barokke taalvondsten en mythische soms zelfs sprookjesachtige figuren van Roland Hoven heerst de waan. Roland Hoven beheerst de kunst een stemming te creëren in zijn poëzie. Soms met zwartgallige spitsvondigheden, andere keren met bijna tedere observaties. Weergaloos schildert Hoven met draken, gooit met vleermuizenzwezerikpate en verleidt met nijlpaarden. Maar altijd tuimelen de woorden door de zinnen heen, denderen zij in volle vaart naar de volgende strofe, naar het volgende zinnenprikkelende beeld, waarmee hij de verwarring van de waan werkelijk maakt. Roland Hoven geeft de lezer geen keus zich terug te trekken, hij overrompelt, pakt beet en neemt mee. In zijn gedichten bouwt hij met woorden een muur, steeds hoger, tot wij niet meer kunnen ontsnappen en ons gevangenen weten in de waan. Bij Roland Hoven krijgt de waan woorden.

Leg dit uit

leg dit uit:

het licht is anders
de bomen de bossen
de grond het hart

het dicteert
een ander ritme
en het klopt

de stiltes tussen tijd
ademen vermoeden
alleen al dat

landschap dat geen vragen stelt
maar enkel antwoord is

Tik-tak.

De klok zeurt mee
tik-tak
we hebben dit gesprek al zo vaak gehad.
Als jij, wilskrachtig als altijd
iedere poging afketst
tik-tak
om te praten over pillen,
en dat kracht bij zet
door je mond vol te proppen met
tik-tak
en je biedt mij ook er ook ééntje aan, zo’n
tik-tak,
‘1 kcal maar’ zeg jij pesterig,
dan val ik stil.

Tik-tak
lacht de klok.

Ik geef me gewonnen
tegen jouw charisma
kan geen pil op.
Ik tak.

er van af gebleven
nooit meer terug gezien
weggegeven

mocht het ademen tussen borsten nu
geworpen zijn over het tere juk

laat het niet barsten
maak het niet stuk

weet ik niet

op school is mijn concentratie laag
en mijn aanwezigheid hoog zegt juf Jojanneke
of dat goed of fout is snap ik niet

wanneer iets niet lukt
wordt ik boos en verdrietig tegelijk
hoe dat kan weet ik niet

woorden als contact-arm recht-lijnig en
letter-lijk slaan op mij
maar dat begrijp ik niet

pictogrammen maken de wereld zwart-wit
paars is mijn lievelingskleur en rood en roze
kiezen kan ik niet

mijn psychiater wil dat ik drie keer
per jaar op controle kom
waarvoor weet ik niet

mijn pillendoos verdeeld de dagen
in vier keer slikken
dat vergeet ik niet

op 12 augustus heb ik 5 jaar
de diagnose autisme
wat ik daarvoor was weet ik niet

Marjon Zomer

Schuin gedrukt: mensen met autisme vatten taal vaak letterlijk op

Alles liever dan dat.

Vleermuiszwezerikpaté op rozijnenbrood.
Met poedersuiker.
Een safari door het centrum van de Hel in een open, net volgetankte auto met benzinemotor.
Zonnebrand vergeten.
100 denderende nijlpaarden tegenhouden op een Amsterdams kruispunt met een kapot stoplicht.
Ze zijn nog boos ook.
Met blote handen naar een brandnetel zoeken in een glasbak voor groen glas.

Dit alles….graag zelfs, met genoegen, liever vandaag nog dan morgen!

Maar nooit, nimmer, bespaar mij de depressie stofzuiger die energie, genot, verlangen, liefde opslurpt het gevoel verfrommelt tot een prop doodse leegheid.
Overal pijn hebben, tot in de wimpers,
terwijl de organen als gesmolten kaarsvet aanvoelen.

Ironie.
Alleen een zélf, door somberheid verlamd opperwezen kan zulk zinloos lijden hebben opgepakt, zonder het voor eens en altijd het heelal in te slingeren naar lelijke groene mannetjes die niet beter verdienen.

spiegel

ik de ene helft jij
de ander
komen we van dezelfde steen
hetzelfde water
delen we samen

deze lucht die als kolom geheven
tussen ons beiden staat

spiegel ik jou aan mijn gebaar
hef ik mijn hand
valt de jouwe open

leeg

springlevend

nadat de trein voorbij
stoof en haar haren wapperend
opwoeien ging ze tussen
de bielzen in het grind liggen
ze had de laatste trein gemist

thuis zaten acht angstige
kinderogen stil op de bank
de klok van oma tikte uren
aaneen en het duurde langer
dan welke keer dan ook

in het donker keken twee ogen
af en toe heel even opzij
naar pappa die staarde naar
de telefoon die straks zou gaan
en dan zou mamma

mamma
meestal zat ze stil
met haar handen in de schoot
of aan de keukentafel met een krant
soms wilde ze springen

Draken doden.

Je zit tegenover mij. Nukkig.
Het is bijna grappig dat
mijn aanwezigheid jou zo steekt.

Want de draak in jouw hoofd
die je gehoor bekogelt
met verwarrende gruizige woorden
vol minachting en vernedering
die je walgelijke opdrachten toespuugt
terwijl een Sardonisch genot uit zijn neusgaten stoomt, is híj niet jouw echte kwelgeest ?

Maar over hem mag ik niet spreken.
Woedend word jij dan.
Het geeft niet. Ik ben geduldig.
Ook draken zijn onachtzaam. Ook draken slapen.
Ik kies mijn moment. Ik wurg jouw monster.
Samen snijden we hem in stukken en koken het schubbige vlees in een soepje, getrokken van al jouw pillen.

Voor het eerst ben jij uiterst content over je medicijnen.