Tweepolig theater

Na een winter van lichtloze
Poolcirkelgedachten
opent zich in jouw hoofd
het donkere doek en zie daar

een toneel vol plotsprikkelend licht
waarin plezierspelers popelen
om eindelijk weer een rol in jouw leven te mogen
spelen zoenen vrijen zuipen beesten
met mateloze opzwepende
magnetiserende
het publiek infecterende energie

Maar aan het einde van de voorstelling
altijd weer de cyclische kater van
het vallende doek
dan bekladden de stralende
sterren die bijna hemelen
hun kleedkamers met
akelige afscheidszinnen
ze snoeren hun dikke nekken in
klunzig geknoopte stroppen
tot ze ritmisch bungelen
wit spuug in de mondhoek
op de cadans van het publiek
dat joelt om meer meer meer
weten zij veel

ja, ik leef nog

ja, ik leef nog
nee, ik leef!

droom nog ik
slaap ontwaak
draag beelden aan

de dag
open
dicht

mijn ogen

ik traan niet meer
dan ik lach wacht
niet meer ga

een weg
open
dicht

licht
ja, leef ik nog
nee, ik worstel

maar in een taal
die ik steeds beter
versta

hef ik het glas

hef ik het glas
dan hef ik de zon

smelt het was van mijn handen
branden mijn vingers
verkeerde woorden
en vallen ze doelloos neer

nee, beter wil ik ze dempen met dorst
en voeden met honger
zo ik ontkom
aan een gevaarlijk teveel

wat niet anders
dan zal worden gemorst
aan het loze ogenblik
dat, wat er niet toe doet

nee, beter is het
dat dit sober blijft
en ik nuchter ontwaar

een klein licht, bijvoorbeeld
soms, in jouw ogen

of een hart

dat bloedt

Als Arends …

wil ik
mager
dun zijn
leeg
van vlees
los
van lichaam
enkel bloed

in woorden

het wit desnoods
tussen de zinnen

of,
als jij dit leest
in dat smal beminnen
ik dan
als lucht zo mogelijk

voor even

jouw adem
kan zijn

ADHD benen

nooit eerder fietste iemand sneller
in de eerste versnelling
dan Ruben op zondagmiddag

zwembad en friet in het vooruitzicht
racete hij
op de roze fiets
van zijn vriendinnetje
langs stoplicht na stoplicht
die vlug op groen sprongen
als hij eraan kwam

Ridder

“De aarde is geen plat schild
maar ze is rond als een appel !”

Om deze malloot in maliënkolder
zakken de ridders lachend door hun zetels
tuimelen de tranen op het tinnen tafelgerei.

“Onzichtbare paarden zullen
metalen kasten trekken
op wielen van omgesmolten zwaarden
die nutteloos zijn geworden
door kanonnen die passen
in de palm van je hand.”

Plotspijnlijke stilte.
Omgesmolten zwaarden… hij zei het echt
Een man van eer doodt nog liever zijn eigen paard.

Ze brengen hun gildebroeder
naar de heelmeester
die hoofdschuddend zucht
om deze reddeloze ridderziel.
Zwijgend laten de edelmannen
hun voorheen vriend achter
Een huilend hoopje huid in harnas.

500 jaar later…
Een man in chemisch pantser
eenzaam in strijd met het leven
verwarde ziel
smeekt snikkend of ik
nobel als een Ronde tafel Ridder
een lans voor hem wil breken.