Spookhuis

Negen jaar ben ik hier - in dit huis.
Na al die wanen staat het er nog.
De schimmen maken stenen tot gruis,
onder de zware last van bedrog.

Mijn droom schuurt nog langs de plinten.
Door de kieren ontsnapt steeds mijn hoop.
Mijn onrust trilt hoog onder de binten
als ik benauwd door de gangen loop.

Maar als ik de drempel passeer
dan waait er een koele wind,
waaruit ik helder licht inhaleer.

Mijn dwalen stopt waar het begint.
Ik hoop - als ik op mijn schreden keer -
dat ik dit spookhuis niet meer vind.

Verwachting

Ik hoor de ruzie achter je ogen,
voorbij de zuilen van je geest.
Hoge bovenkamers galmen
van wat er is geweest.
Vannacht blijf ik hier waken,
bij je, met mijn adem in.
Ik hoor je lopen naar beneden,
terug naar het begin.
Op trappen die zacht zwijgen.
Door galerijen onderin.
Tot in de gouden kamer
van de koningin.

Gangen van geld

Zilveren gangen,
echo’s van koper.
Een labyrint waarin
we onszelf horen lopen.
Tikkend klinken
tranen van staal,
voor vrijheid, nabijheid,
desnoods digitaal.

Lopen

Lopen
langs Het
Zwarte Pad
in de motregen
met mijn moeder.
Mond houden
en achter
elkaar
lopen.
Tot
hier
en dan
weer terug.
Als de dood
zo mooi.

Mijn geld duurt een week

Ik vergeet je. Verstopt in de drukte van mijn hoofd.
- Bel mij dan toch - zeg je. Of - Kom even langs -
Maar dat gaat niet en zwart word ik steeds gepakt.

Want mijn geld duurt een week, hooguit twee.
De bus betaal ik met beltegoed. Als ik reis kan ik niet bellen.
Het roken gaat maar door. En blowen waardoor ik vergeet.

Het geld voor de gemiste afspraken heb ik niet.
Voor boetes, herinneringen en aanmaningen evenmin.
En jij klaagt over de voortgang van m’n behandelplan.

- Bel mij dan toch - zeg je. Of - Kom even langs -
Ik wil zijn als de anderen die achteloos bellen en reizen
en die gestopt zijn met roken. Nu ik gestopt ben met al het andere.

Een stille zomer

Een stille zomer
buiten staan op rietlandhertentranen
in de avond
nog verbonden zijn met bloemen in het veld
vogels laten veren na
leggen tekens van vrijheid in het gras

Eén goudlichtgrasspriet licht op in de schaduw
tussen de bomen waar ik langs ga
ben jij het of jij
twee keien in mijn nabijheid
ik blijf niet buiten staan
ga in mijn hoofd
en drink koffie

Het laagland zinkt

Het laagland zinkt, de golven slaan
Een schip vaart noodgedwongen uit
De schipper, een vrouw zonder zicht
voert het gezag, beschonken als zij is

Uitgevaren bij zuigende stroom
met onderhavige tuigage
een troebel glas in haar rechterhand

In haar andere hand houdt zij
het hart vast van de zieke aan boord
met het schijnwit gezicht
verwent hem met koffie in de kombuis

Zij is blind voor de nood van de
roependen in de ruim van het schip
Zij is doof voor het schot in de wand
dat klinkt uit het ruim van het schip

Het schip maakt water
De schipper zaait angst
Zij verwent de zieke
met het kwijnende hart
en het schijnwit gezicht
met koffie in de kombuis
terwijl de stemmen uit
het ruim worden gesmoord
De nacht op het dek zal donker zijn

Koningin van zelfbedwang

Als koningin van zelfbedwang
dwing ik de omtrek van mijn lijn,
los van verleiding en behoefte.
Nog even en ik zal gelukkig zijn.

Jij roept en zucht en redeneert
over een weldoorvoed karkas.
Je ziet het verloren lichaam niet
van het kind dat ik ooit was.

Zie daar de lijven, vet en vrij.
Zonder schroom geven zij zich bloot
als varkens na een schranspartij.

Alleen dit lijf is mijn intiem domein
als ik de randen van mij schaduw trek
en vol verwachting lijd met zoete pijn.