Moeder
Mijn moeder is
een zwarte nagel
ze krabt aan
mijn bloemhoofd
tot ik bloed
als een
geraniumblad
Mijn moeder is
een zwarte nagel
ze krabt aan
mijn bloemhoofd
tot ik bloed
als een
geraniumblad
Schaduw van afkeer volgt mij.
Klein en naakt had ik geen keus.
Gesmoord in duister licht. Zijn macht.
Dertig jaren - meer - blijft hij mij bij.
Een waas, een schim. Altijd aanwezig.
En voor hem?
Slechts een dwaalster ben ik.
Vergeten in zijn spoor van molest.
Kom toch zoekend mens. Verdwaald.
Zie mijn ogen. Lees me. Kijk mij aan
zodat ik even door het beslagen raam
jouw onrust kan duiden
en jouw vervreemde blik weer zie
in de context van daarbinnen.
Los van mijn ballast. Van wat ik ken.
Laat mij toe. Neem me mee
om mijn ongrijpbaarheid te zien
uit jouw wereld. Helder in mijn ogen.
Opnieuw kraakt de kou tussen de deuren
Het schaap, het schaap telt zichzelf bij de deur
de deur die toegang geeft tot het licht
Het schaap telt de stofdeeltjes
waaruit het bestaat die hij achterlaat
die de doodsengel opzuigt na de dood
van het schaap dat tot stof is vergaan
Het lam leeft
het lam vertelt zich
het vertelt zich zo jong als het is
Het vertelt zichzelf aan de engelen in het werkveld
die grazen onder de schoorstenen
tussen de brekende bomen
de takken die breken
tijdens de stormen
nadat de schapenwolken zijn verdwenen
het grijs dondert
en het dak kraakt onder de vallende stenen
afkomstig uit de sterren
de enkele sterren die door het raam schijnen
in de krakende koude nachten
waaruit het schaap is verdwenen
en het lam zich vertelt
Ik droomde dat ik piano speelde
voor een gele vlinder
Hij was mijn helper in een brakke tijd
hield zijn vinger aan mijn pols
Hij was aangedaan toen hij mijn ziekte zag
Ik speelde een prelude
Een waterval ruiste in zijn oren
Op zijn vleugels viel het licht
Hij keek mij aan
Ik werd zijn kind en ik genas
terug
naar de oorsprong
van mijn zijn
langs de sporen
van mijn pijn
ga
je eigen weg
zoek naar jezelf
en kom terug
als je me nodig hebt
of
als je je eigen licht
in jezelf
hebt gevonden
Je liep op het gras tussen de paardenbloemen
steevast naar de schaduw van een gebladerde boom.
Dan weer in de zon. En terug in de luwte
van jouw zichtbaarheid want je kon niet besluiten
of je bleke huid de warmte mocht ontvangen
van passerende mensen waar zij liepen
over toppen van de gevlekte schaduw
die hoog en laag op het pad was. Zoals ze waren.
Op jou - vallen de bladeren zoals ze zijn.
Wijkend in een wenk
kruist het licht van jouw oog
mijn gezicht. Contact?
Stress van nabij? Gewoonte?
Je vallende ster
gevangen in wens of hoop
als jouw licht - even maar - schijnt
en weer raakt
Ik liep knipperend met mijn ogen tegen het licht
langs een winkelruit, ineens passeerde mij een man
Hij hield mij aan gaf mij met een gul gebaar zijn zonnebril
Ik zette hem op zag enkel één groot waasbeeld
zwart en vol met vlekken
Ziet u niet vroeg hij hoe indrukwekkend uw spiegelbeeld is?
Ik keek hem schuin en vol ongeloof aan
Hij gaf mij nog een bril en nog één nog één
Ik zie enkel zwart, zwart en nog eens zwart
Geef mij een bril zonder zwart
Hij werd kwaad, wees naar de winkelruit
Ik keek en hij verdween met alle brillen in zijn hand
Uit zijn jaszak viel een brief met de tekst:
U lijdt naast kleurenblindheid tevens aan
hardnekkig onbegrip van zaken