Eiland

vanuit een flessenzee
zittend op je
ongeopende
poststukkeneiland
heet jij me welkom
maar kijkt me aan
alsof ik strijkijzers
deur aan deur
verkoop
op Kerstavond

ik bestudeer jouw gekerfde gelaat
dat geelzuchtig is naar de vluchtige smaken
die ooit dit glazen kerkhof vulden
jij zegt dat je vroeger heel mooi was
mijn hoofd knikt, maar liegt overduidelijk
de stank op jouw eiland is zo erg
dat verlepte bloemen zich schimmels
op hun kelken schamen

ik verlang naar buiten, naar onbedorven lucht
waar roodborstjes een nest bouwen
waar een vrouwenstem teder een Stabat Mater zingt
jij zegt dat je vroeger ook een hele mooi stem had
maar mijn hoofd kan overduidelijk niet meer liegen

misschien moet ik vanavond
wel lachen om een stand-up comedian
grap over
een eilandbewoner die
flessen wijn leeg moet hijsen
voordat hij ze kan vullen met
een overzeese papieren noodkreet
‘ik wil zo graag stoppen met drinken’

Lachen.

Heeft regen een begin, heeft licht een einddatum, kunnen mollen zwemmen, en zo ja, hoe goed is dan hun vlinderslag, kan een vlinder met ontzaglijk veel spijt weer een rups worden, zijn er kampbeulen die hun moeder helpen met het aantrekken van ondergoed, zou ik een goede vis zijn, of een veel te vinnige, is het een heel gek idee om mijn iPhone te gaan frituren, is het mogelijk dat de dode vlieg op mijn vensterbank suïcide heeft gepleegd, en zo ja, was hij het dan ook zo zat altijd maar op hondendrollen te moeten landen, zou de fryPhone een gat in de markt zijn, en zou al dat geld mij gelukkiger maken, is geluk eigenlijk een afspraak, en is 1 + 1 = 2 nou een bedenksel, of was het er altijd al, maar moest het nog even gevonden worden?

Waarom lachen anderen alleen minzaam om mijn gedachten, en niet innig om mijn oprechtheid als mens?

Ik neem het ze niet kwalijk. Zelf lachte ik vanmorgen om een likkebaardende mier die jacht maakte op een plakkerige strooppot die zijn strop werd.

Dementie

Het filter & het koffiepak
liggen klaar.
Maar waarom een schaar ?
Een filter, een pakje…
Sigaretten!
Maar waar is mijn aansteker ?
O nee, koffie zetten.
De schaar is voor het koffiepak
natuurlijk.
Vroeger ging alles
natuurlijk.
De schepjes koffie vallen wat tegen,
een aansteker schept toch liever vuur.

Een met onbehagen
versmolten tijd later
drink jij veel te slappe koffie.
Een hoofd vol gezeefde herinneringen
die opgaan in een wolkje melk.
Je sigaret bibbert,
as dwarrelt in je koffiemok.
Jouw leven ligt in de prullenbak,
zwarte drab in weeïg papier.

Als jij die schaar nog kon vinden,
zou je het ijzer in je polsen drukken.

Als ik de daad zou kunnen dragen,
zou ik je er een handje bij helpen.

Astronaut.

Jij voelt je een
miskende hot-shot astronaut
die aan elektrische lianen
zweeft in een jungle van sterren
en op heroïsche hoogtes
Tarzan-dingen doet
vanuit een moederschip dat
jouw naam draagt.

Maar
probeer ik
heb jij wel eens neergedaalde astronauten
hun eerste stappen zien maken ?
Strompelende washandjes in duikerspakken.

Of wil je het liefst altijd in de ruimte blijven ?
Het lijkt mij zo ijzingwekkend eenzaam daar.

Een mooie, slanke stilte. Dan vette tranen.

Eenzaam misschien wel ja
zeg jij
maar het blijft toch je moeder
schip .

Tweepolig theater

Na een winter van lichtloze
Poolcirkelgedachten
opent zich in jouw hoofd
het donkere doek en zie daar

een toneel vol plotsprikkelend licht
waarin plezierspelers popelen
om eindelijk weer een rol in jouw leven te mogen
spelen zoenen vrijen zuipen beesten
met mateloze opzwepende
magnetiserende
het publiek infecterende energie

Maar aan het einde van de voorstelling
altijd weer de cyclische kater van
het vallende doek
dan bekladden de stralende
sterren die bijna hemelen
hun kleedkamers met
akelige afscheidszinnen
ze snoeren hun dikke nekken in
klunzig geknoopte stroppen
tot ze ritmisch bungelen
wit spuug in de mondhoek
op de cadans van het publiek
dat joelt om meer meer meer
weten zij veel

Ridder

“De aarde is geen plat schild
maar ze is rond als een appel !”

Om deze malloot in maliënkolder
zakken de ridders lachend door hun zetels
tuimelen de tranen op het tinnen tafelgerei.

“Onzichtbare paarden zullen
metalen kasten trekken
op wielen van omgesmolten zwaarden
die nutteloos zijn geworden
door kanonnen die passen
in de palm van je hand.”

Plotspijnlijke stilte.
Omgesmolten zwaarden… hij zei het echt
Een man van eer doodt nog liever zijn eigen paard.

Ze brengen hun gildebroeder
naar de heelmeester
die hoofdschuddend zucht
om deze reddeloze ridderziel.
Zwijgend laten de edelmannen
hun voorheen vriend achter
Een huilend hoopje huid in harnas.

500 jaar later…
Een man in chemisch pantser
eenzaam in strijd met het leven
verwarde ziel
smeekt snikkend of ik
nobel als een Ronde tafel Ridder
een lans voor hem wil breken.

Tik-tak.

De klok zeurt mee
tik-tak
we hebben dit gesprek al zo vaak gehad.
Als jij, wilskrachtig als altijd
iedere poging afketst
tik-tak
om te praten over pillen,
en dat kracht bij zet
door je mond vol te proppen met
tik-tak
en je biedt mij ook er ook ééntje aan, zo’n
tik-tak,
‘1 kcal maar’ zeg jij pesterig,
dan val ik stil.

Tik-tak
lacht de klok.

Ik geef me gewonnen
tegen jouw charisma
kan geen pil op.
Ik tak.

Alles liever dan dat.

Vleermuiszwezerikpaté op rozijnenbrood.
Met poedersuiker.
Een safari door het centrum van de Hel in een open, net volgetankte auto met benzinemotor.
Zonnebrand vergeten.
100 denderende nijlpaarden tegenhouden op een Amsterdams kruispunt met een kapot stoplicht.
Ze zijn nog boos ook.
Met blote handen naar een brandnetel zoeken in een glasbak voor groen glas.

Dit alles….graag zelfs, met genoegen, liever vandaag nog dan morgen!

Maar nooit, nimmer, bespaar mij de depressie stofzuiger die energie, genot, verlangen, liefde opslurpt het gevoel verfrommelt tot een prop doodse leegheid.
Overal pijn hebben, tot in de wimpers,
terwijl de organen als gesmolten kaarsvet aanvoelen.

Ironie.
Alleen een zélf, door somberheid verlamd opperwezen kan zulk zinloos lijden hebben opgepakt, zonder het voor eens en altijd het heelal in te slingeren naar lelijke groene mannetjes die niet beter verdienen.

Draken doden.

Je zit tegenover mij. Nukkig.
Het is bijna grappig dat
mijn aanwezigheid jou zo steekt.

Want de draak in jouw hoofd
die je gehoor bekogelt
met verwarrende gruizige woorden
vol minachting en vernedering
die je walgelijke opdrachten toespuugt
terwijl een Sardonisch genot uit zijn neusgaten stoomt, is híj niet jouw echte kwelgeest ?

Maar over hem mag ik niet spreken.
Woedend word jij dan.
Het geeft niet. Ik ben geduldig.
Ook draken zijn onachtzaam. Ook draken slapen.
Ik kies mijn moment. Ik wurg jouw monster.
Samen snijden we hem in stukken en koken het schubbige vlees in een soepje, getrokken van al jouw pillen.

Voor het eerst ben jij uiterst content over je medicijnen.

Zwart gal vs. Witte sneeuw.

Waarom vragen sprookjes
koninginnen nou nooit eens
“spiegeltje spiegeltje aan de wand
wie is
van binnen
de mooiste van het land?”

Mensen met sombere streken &
melancholieke momenten,
maar ook met karakters
die kleurrijk de eentonigheid
verbleken van gewillige grijsheid.

Zeker beste spiegel,
Sneeuwwitje is heel mooi.
Maar dan de Zwartgalligen !
Daartussen vind je
echte schoonheden
voor wie verder durft te kijken
dan het glanzende oppervlakte
van onze mytische majesteiten.