Een klein experiment

In een aquarium
op Ikea kast met wieltjes
zweven hersenen
uit de schedel gelepeld
gevoed in fysiologisch water
slangetjes vullen gulzige vaten
met rood sap uit hengelend plastic

De wetenschapper
drukt zijn neus tegen het glas
dromend van schijnwerpers en prijzen
het is gelukt
zijn creatie
een ziel zonder lichaam
De dwaas

Hersenen zonder buitenleven
losgeknipt van neuzen en indrukken
sterven als kreeften
in kokend bouillon

Oor

In mijn rechteroor
wonderlijk
klankvuurvliegjes
dan opeens een
stilte zonder reden

Of werd een kind in China
doof van fabrieksrumoer
en moest
oog om oog tand om tand
een zintuig sneuvelen
uit een vervallen laagland

Mijn oor verfrommelt nu
muzieknoten tot autowrakken &
meisjes klinken nogal straaljagerig
maar tussen ons
is een vreemdsoortige gelijkheid
een klein cadeau
nooit eerder hoorde ik de
vervormende stemmen in jouw hoofd
zo bijna

Spijkerhard

Een spijker loopt door de straat
niet op zijn gemak
tussen menselijke voeten
die hem mijden en omzeilen
Hij oogt zo onberispelijk anders
met zijn ranke rug

Dan denkt hij
die punt
ze vrezen mijn scherpe punt!

Een door niemand bijgehouden tijd later
vindt hij een puntenverwijderaar
Een slijptol
die zonder scrupules
aan het schaven gaat

Dan blijkt
roestende ellende
mensen minachten net zo goed
botte spijkers

Kromgebogen afgestompt beschadigd
zoekt hij steun bij staalgenoten
die hem hardvochtig toeschreeuwen
‘jij bent niet meer één van ons’

Zijn laatste bezoek
is aan de slijptol.
‘Wil je ijzerpoeder van me maken ?’
als een spijker kan sterven
is dat even later gebeurd

Krokodillen

Een omgebouwde koffiemolen
kraakt krokodillen in mijn hoofd

Verhitte boter
spat op mijn huid
maar voelt als de streling
van een kinderhand

Een suikerspinnenkraam
oogt zoet maar ruikt zo scherp
naar mosterd
dat ik mijn neus snuit
en bij nader
zakdoek onderzoek
zie ik
zie je wel :
vloeibare krokodillendril !

Iemand naast mij zegt
‘bah snot’
maar iedereen om mij heen
ziet de dingen zo anders

Ik zeg niet verkeerd maar
zo vervreemdend anders

Afstand.

Enkel bitter woordengruis
en venijnvlokken
rollen uit de kale schedels
van opper apen in hippe onderbroeken.
Een tweebenige sukkelsoort.
Vandaag kan ik niet langer
één van hen zijn.

Vandaag wil ik gras zijn
gras zonder eigenaar
op een bergwand in Frankrijk.

Vandaag wil ik de wind zijn
wind die straf waait
en toch beloont.

Ik wil een tijdje alleen
maar groeien en woeien
even afstand nemen
van de gekte
om mij heen
mag dat
a.u.b?

Eiland

vanuit een flessenzee
zittend op je
ongeopende
poststukkeneiland
heet jij me welkom
maar kijkt me aan
alsof ik strijkijzers
deur aan deur
verkoop
op Kerstavond

ik bestudeer jouw gekerfde gelaat
dat geelzuchtig is naar de vluchtige smaken
die ooit dit glazen kerkhof vulden
jij zegt dat je vroeger heel mooi was
mijn hoofd knikt, maar liegt overduidelijk
de stank op jouw eiland is zo erg
dat verlepte bloemen zich schimmels
op hun kelken schamen

ik verlang naar buiten, naar onbedorven lucht
waar roodborstjes een nest bouwen
waar een vrouwenstem teder een Stabat Mater zingt
jij zegt dat je vroeger ook een hele mooi stem had
maar mijn hoofd kan overduidelijk niet meer liegen

misschien moet ik vanavond
wel lachen om een stand-up comedian
grap over
een eilandbewoner die
flessen wijn leeg moet hijsen
voordat hij ze kan vullen met
een overzeese papieren noodkreet
‘ik wil zo graag stoppen met drinken’

Lachen.

Heeft regen een begin, heeft licht een einddatum, kunnen mollen zwemmen, en zo ja, hoe goed is dan hun vlinderslag, kan een vlinder met ontzaglijk veel spijt weer een rups worden, zijn er kampbeulen die hun moeder helpen met het aantrekken van ondergoed, zou ik een goede vis zijn, of een veel te vinnige, is het een heel gek idee om mijn iPhone te gaan frituren, is het mogelijk dat de dode vlieg op mijn vensterbank suïcide heeft gepleegd, en zo ja, was hij het dan ook zo zat altijd maar op hondendrollen te moeten landen, zou de fryPhone een gat in de markt zijn, en zou al dat geld mij gelukkiger maken, is geluk eigenlijk een afspraak, en is 1 + 1 = 2 nou een bedenksel, of was het er altijd al, maar moest het nog even gevonden worden?

Waarom lachen anderen alleen minzaam om mijn gedachten, en niet innig om mijn oprechtheid als mens?

Ik neem het ze niet kwalijk. Zelf lachte ik vanmorgen om een likkebaardende mier die jacht maakte op een plakkerige strooppot die zijn strop werd.

Dementie

Het filter & het koffiepak
liggen klaar.
Maar waarom een schaar ?
Een filter, een pakje…
Sigaretten!
Maar waar is mijn aansteker ?
O nee, koffie zetten.
De schaar is voor het koffiepak
natuurlijk.
Vroeger ging alles
natuurlijk.
De schepjes koffie vallen wat tegen,
een aansteker schept toch liever vuur.

Een met onbehagen
versmolten tijd later
drink jij veel te slappe koffie.
Een hoofd vol gezeefde herinneringen
die opgaan in een wolkje melk.
Je sigaret bibbert,
as dwarrelt in je koffiemok.
Jouw leven ligt in de prullenbak,
zwarte drab in weeïg papier.

Als jij die schaar nog kon vinden,
zou je het ijzer in je polsen drukken.

Als ik de daad zou kunnen dragen,
zou ik je er een handje bij helpen.

Astronaut.

Jij voelt je een
miskende hot-shot astronaut
die aan elektrische lianen
zweeft in een jungle van sterren
en op heroïsche hoogtes
Tarzan-dingen doet
vanuit een moederschip dat
jouw naam draagt.

Maar
probeer ik
heb jij wel eens neergedaalde astronauten
hun eerste stappen zien maken ?
Strompelende washandjes in duikerspakken.

Of wil je het liefst altijd in de ruimte blijven ?
Het lijkt mij zo ijzingwekkend eenzaam daar.

Een mooie, slanke stilte. Dan vette tranen.

Eenzaam misschien wel ja
zeg jij
maar het blijft toch je moeder
schip .

Tweepolig theater

Na een winter van lichtloze
Poolcirkelgedachten
opent zich in jouw hoofd
het donkere doek en zie daar

een toneel vol plotsprikkelend licht
waarin plezierspelers popelen
om eindelijk weer een rol in jouw leven te mogen
spelen zoenen vrijen zuipen beesten
met mateloze opzwepende
magnetiserende
het publiek infecterende energie

Maar aan het einde van de voorstelling
altijd weer de cyclische kater van
het vallende doek
dan bekladden de stralende
sterren die bijna hemelen
hun kleedkamers met
akelige afscheidszinnen
ze snoeren hun dikke nekken in
klunzig geknoopte stroppen
tot ze ritmisch bungelen
wit spuug in de mondhoek
op de cadans van het publiek
dat joelt om meer meer meer
weten zij veel