Lopen
Lopen
langs Het
Zwarte Pad
in de motregen
met mijn moeder.
Mond houden
en achter
elkaar
lopen.
Tot
hier
en dan
weer terug.
Als de dood
zo mooi.
Lopen
langs Het
Zwarte Pad
in de motregen
met mijn moeder.
Mond houden
en achter
elkaar
lopen.
Tot
hier
en dan
weer terug.
Als de dood
zo mooi.
Een stille zomer
buiten staan op rietlandhertentranen
in de avond
nog verbonden zijn met bloemen in het veld
vogels laten veren na
leggen tekens van vrijheid in het gras
Eén goudlichtgrasspriet licht op in de schaduw
tussen de bomen waar ik langs ga
ben jij het of jij
twee keien in mijn nabijheid
ik blijf niet buiten staan
ga in mijn hoofd
en drink koffie
Het laagland zinkt, de golven slaan
Een schip vaart noodgedwongen uit
De schipper, een vrouw zonder zicht
voert het gezag, beschonken als zij is
Uitgevaren bij zuigende stroom
met onderhavige tuigage
een troebel glas in haar rechterhand
In haar andere hand houdt zij
het hart vast van de zieke aan boord
met het schijnwit gezicht
verwent hem met koffie in de kombuis
Zij is blind voor de nood van de
roependen in de ruim van het schip
Zij is doof voor het schot in de wand
dat klinkt uit het ruim van het schip
Het schip maakt water
De schipper zaait angst
Zij verwent de zieke
met het kwijnende hart
en het schijnwit gezicht
met koffie in de kombuis
terwijl de stemmen uit
het ruim worden gesmoord
De nacht op het dek zal donker zijn
Ik leef in een afgescheiden wereld
van koperdraad en poppentranen
ik beweeg mij buiten de tijd
in een glazen bel
van licht en stuivend zand
waar engelen komen en gaan
Ze geven mij een woord of een mes
ik verdwijn als je me aanspreekt
ben niet de jouwe
maar altijd een schim
van iets wat je denkt te begrijpen
Iets wat doet rillen
wat onzichtbaar is
onder de huid kruipt
en nooit verdwijnt
Hoe tik ik de wereld over? Mijn wereld
Ik tik het over, vandaag, de dag
alles vergeten, niet meer weten
alleen nog weten dat ik tik
vandaag, dat ik tik, de dag,
Ik tik de dag, ik tik
Je vroeg of je zou komen
Ik zei dat ik het leuk vond
Je kwam met een tas in je hand
haalde er schone T-shirts uit
en een puntenslijper
We gingen naar buiten
liepen over een pad
door het weiland
een wijnboerderij lag er verlaten bij
Bij de ingang van een tuinencomplex
harkte een man natte bladeren bij elkaar
We keken naar een tuinhuisje
met een eivormig dak
Hoe je daar kon lezen en
theedrinken op een zomerdag
Je kon er niet slapen
De gordijnen waren verschoten
Een stam bij het hek was afgezaagd
met twee brede sneden was er
in de kopse kant een kruis gemaakt
We liepen langs het zandpad terug
naar de kliniek, de paden waren nat
van de smeltende sneeuw
Daar nam je de tram naar huis
Met mijn pasje ging ik naar binnen
Ik ben altijd bang en bezig
ik doe heel veel achter elkaar door
Hoe dat komt? Dat weet ik niet
Ik slurp mijn zwarte koffie op
zo zie ik weer een witte bodem
wat mij gerust stelt voor één ogenblik
Gauw pak ik dan mijn hamer en mijn beitel
hak een gat, splijt een blok
of race een metertje of tien
op mijn turbo naaimachine
Prop een boterham in mijn mond
dicht het gat met kaas en jam
zo doe ik dat, zo ga ik door
Hoe dat komt? Dat weet ik niet
‘s Nachts vallen
de tanden uit mijn mond
huilen de hyena’s
Vluchten? Waarheen vluchten?
Lussen van snijdend gras
slingeren om mijn nek
Overdag komt mijn zus
ik lig tussen verwrongen lakens
met kleren aan in bed
Ik tel de uren af
onder een vaatdoek van een deken
Iets anders weet ik niet
Mijn zus kruipt bij mij in bed
kleine zusjes
nee, ze blijft niet
ze moet weer weg
Ze verdwijnt als een giraffe
de savanne op met een tas
van paardenhaar
Bloeiende bomen zijn takken
zijn kronen
zijn hoofden vol witte gedachten
dromen
waarin een belletje breekt
dat glanst voordat het breekt
steeds weer breekt
opnieuw
dat het
mooier bloeit dan
dat het breekt
Een psychose
een denderende waterval
stuifende stralen
die als haren uit je kop
getrokken worden
een wild geraas
in een kolkende poel
een val in een steile diepte
waarin het licht schrikt
als een schichtige witte vis
die in het donker weg flitst