Wisselgeld

schaduw bij de parkeerautomaat
jij in mijn ruimte - je hulp ongevraagd
met mijn gestuntel in rollende munten
mijn schuld die ik achter het klepje laat

Spookhuis

Negen jaar ben ik hier - in dit huis.
Na al die wanen staat het er nog.
De schimmen maken stenen tot gruis,
onder de zware last van bedrog.

Mijn droom schuurt nog langs de plinten.
Door de kieren ontsnapt steeds mijn hoop.
Mijn onrust trilt hoog onder de binten
als ik benauwd door de gangen loop.

Maar als ik de drempel passeer
dan waait er een koele wind,
waaruit ik helder licht inhaleer.

Mijn dwalen stopt waar het begint.
Ik hoop - als ik op mijn schreden keer -
dat ik dit spookhuis niet meer vind.

Mijn geld duurt een week

Ik vergeet je. Verstopt in de drukte van mijn hoofd.
- Bel mij dan toch - zeg je. Of - Kom even langs -
Maar dat gaat niet en zwart word ik steeds gepakt.

Want mijn geld duurt een week, hooguit twee.
De bus betaal ik met beltegoed. Als ik reis kan ik niet bellen.
Het roken gaat maar door. En blowen waardoor ik vergeet.

Het geld voor de gemiste afspraken heb ik niet.
Voor boetes, herinneringen en aanmaningen evenmin.
En jij klaagt over de voortgang van m’n behandelplan.

- Bel mij dan toch - zeg je. Of - Kom even langs -
Ik wil zijn als de anderen die achteloos bellen en reizen
en die gestopt zijn met roken. Nu ik gestopt ben met al het andere.

Koningin van zelfbedwang

Als koningin van zelfbedwang
dwing ik de omtrek van mijn lijn,
los van verleiding en behoefte.
Nog even en ik zal gelukkig zijn.

Jij roept en zucht en redeneert
over een weldoorvoed karkas.
Je ziet het verloren lichaam niet
van het kind dat ik ooit was.

Zie daar de lijven, vet en vrij.
Zonder schroom geven zij zich bloot
als varkens na een schranspartij.

Alleen dit lijf is mijn intiem domein
als ik de randen van mij schaduw trek
en vol verwachting lijd met zoete pijn.

Als stil water

Als stil water
- schijnbaar ongestoord
door de storm
die om ons woedt -
speel je verder.

Maar als de onderstroom
het licht ontmoet,
het water rimpels toont
en je ernstig vraagt
waar ik nu toch woon,

neem ik je kleine hand
en vloeien stille woorden
in de stroom van onze band.

Buiten

Zucht ik mijn adem in schokkende teugen,
beklemmend nu ik eindelijk buiten ben
tussen mensen zo vreemd als fantomen,
waarvan ik alleen de schaduwen ken.

Onzichtbare wind als bries van berouw
zonder gedachte aan waarheid of reden
of aan de toekomst die komt met de dauw…
op het gras… elke morgen… telkens weer…

Geld

Hoe ga ik verder
als ik word uitgedrukt in geld
en holle woorden over zorg
klinken in het Haags geweld?

Wie zorgt voor mij
als jouw handen zijn ontveld
en ik word teruggeworpen
op mijzelf?

Bipolair

Beweeg met mij en dans.
Ik bén. Schoon en aanlokkelijk.
Kom. Laat mij je voorgaan.
Stijg mee op mijn glans.

Struikel en val. Niet waar ik sta
maar dieper en dieper.
Vlucht uit mijn schaduw. Ga
voordat ik je meesleur.

Geen schaduw of val
maakt mij bang. Maar die blik.
Jouw zorg. De zwangere geur
van jouw angst bovenal.

Zo dichtbij

Vanmorgen nog praten, denken en doen
met afstand die dempt en verzacht.
Nu kind-zijn, broer-zijn, vriend-zijn.
Krassen en bloeden.
Erger dan dat: Snijden…
in een kloppend hart.

Zo dichtbij.

Laat hem

hij is gelukkig
gekscherend en lachend
onder zijn eigen gesternte

de stemmen in zijn hoofd
beklagen ons om onze stilte
maar wij hebben geen keus