Wisselgeld
schaduw bij de parkeerautomaat
jij in mijn ruimte - je hulp ongevraagd
met mijn gestuntel in rollende munten
mijn schuld die ik achter het klepje laat
schaduw bij de parkeerautomaat
jij in mijn ruimte - je hulp ongevraagd
met mijn gestuntel in rollende munten
mijn schuld die ik achter het klepje laat
Geld is heilig. Tenminste, wie de krant leest of tv kijkt weet bijna niet beter. Alles moet efficiënt. Maar kan alles efficiënt?
Waar ligt de grens tussen redelijk zuinig zijn met overheidsgeld en onredelijk hard zijn voor patiënten? Is de waan van de beursgang geen gekte die normale mensen nu ook botvieren op de zwakkeren in de samenleving? Hoe normaal is een aandeel eigenlijk?
De GGz-dichters wijden enkele gedichten aan de waan van het geld, het geloof in immer doorgaande efficiëntie en de vele -maar al te werkelijke- dilemma’s die de bezuinigingen binnen de GGz veroorzaken.
Zilveren gangen,
echo’s van koper.
Een labyrint waarin
we onszelf horen lopen.
Tikkend klinken
tranen van staal,
voor vrijheid, nabijheid,
desnoods digitaal.
Ik vergeet je. Verstopt in de drukte van mijn hoofd.
- Bel mij dan toch - zeg je. Of - Kom even langs -
Maar dat gaat niet en zwart word ik steeds gepakt.
Want mijn geld duurt een week, hooguit twee.
De bus betaal ik met beltegoed. Als ik reis kan ik niet bellen.
Het roken gaat maar door. En blowen waardoor ik vergeet.
Het geld voor de gemiste afspraken heb ik niet.
Voor boetes, herinneringen en aanmaningen evenmin.
En jij klaagt over de voortgang van m’n behandelplan.
- Bel mij dan toch - zeg je. Of - Kom even langs -
Ik wil zijn als de anderen die achteloos bellen en reizen
en die gestopt zijn met roken. Nu ik gestopt ben met al het andere.
Het laagland zinkt, de golven slaan
Een schip vaart noodgedwongen uit
De schipper, een vrouw zonder zicht
voert het gezag, beschonken als zij is
Uitgevaren bij zuigende stroom
met onderhavige tuigage
een troebel glas in haar rechterhand
In haar andere hand houdt zij
het hart vast van de zieke aan boord
met het schijnwit gezicht
verwent hem met koffie in de kombuis
Zij is blind voor de nood van de
roependen in de ruim van het schip
Zij is doof voor het schot in de wand
dat klinkt uit het ruim van het schip
Het schip maakt water
De schipper zaait angst
Zij verwent de zieke
met het kwijnende hart
en het schijnwit gezicht
met koffie in de kombuis
terwijl de stemmen uit
het ruim worden gesmoord
De nacht op het dek zal donker zijn
Hoe ga ik verder
als ik word uitgedrukt in geld
en holle woorden over zorg
klinken in het Haags geweld?
Wie zorgt voor mij
als jouw handen zijn ontveld
en ik word teruggeworpen
op mijzelf?