Draken doden.
Je zit tegenover mij. Nukkig.
Het is bijna grappig dat
mijn aanwezigheid jou zo steekt.
Want de draak in jouw hoofd
die je gehoor bekogelt
met verwarrende gruizige woorden
vol minachting en vernedering
die je walgelijke opdrachten toespuugt
terwijl een Sardonisch genot uit zijn neusgaten stoomt, is híj niet jouw echte kwelgeest ?
Maar over hem mag ik niet spreken.
Woedend word jij dan.
Het geeft niet. Ik ben geduldig.
Ook draken zijn onachtzaam. Ook draken slapen.
Ik kies mijn moment. Ik wurg jouw monster.
Samen snijden we hem in stukken en koken het schubbige vlees in een soepje, getrokken van al jouw pillen.
Voor het eerst ben jij uiterst content over je medicijnen.
Drakendoder, ik heb respect.
Maar verwacht,
Een wraakbrakende draak nazaat zal zich vastbijten,
met venijnig scherpe verlammende klauwen in mijn huid,
weerhaken in mijn brein.
Vervormen en inkrimpen zal mijn beeld.
Alle spiegels kunnen aan scherven, ik herken mezelf niet meer.
Uithongeren en verwonden doet hem geen zeer.
Ik moet hem hartelijk hard treffen,
laat ons samen in rook opgaan.